oktober 2020, Publicaties

Duurzame regels – realisme of idealisme?

Informatie over de duurzaamheid van beleggingen wordt aan Europese regels onderworpen met de Sustainable Finance Disclosure Regulation. Dit nieuwe pakket regels stelt beleggers in staat om beter geïnformeerde keuzes te maken in duurzame beleggingsproposities. Een dergelijke standaardisatie is een welkome ontwikkeling, maar tegelijkertijd moet gewaakt worden voor een overdaad aan informatie.

De ontwikkeling van duurzame beleggingsproposities en de informatieverstrekking hierover is tot op heden overgelaten aan marktpartijen in de financiële sector. De groeiende behoefte van beleggers en de bereidheid van veel vermogensbeheerders om hier een rol in te spelen heeft geleid tot een veelheid aan duurzame beleggingsfondsen en duurzame vermogensbeheerconcepten.  

In 2018 heeft de Europese Commissie het Sustainable Finance actieplan opgesteld om het financiële Europese toezichtsraamwerk aan te scherpen zodat meer aandacht komt voor de transitie naar beleggen voor duurzame groei. Hieruit zijn aanpassingen op bestaande wetgeving en nieuwe wetgeving voortgekomen, waaronder de Disclosure Regulation.   

Aan de ene kant lijkt deze wetgeving gehoor te geven aan de behoefte aan gestandaardiseerde transparantie over het grote aanbod van duurzame beleggingsproducten, aan de andere kant is de wetgeving omvangrijk en is het de vraag of het doel de middelen rechtvaardigt. Deze inzichten brengen ons tot de vraag: streeft de nieuwe wetgeving idealisme of realisme na? 

Kleur bekennen 

Onderdeel van de nieuwe wetgeving is of een beleggingsproduct duurzaam is en dus als zodanig gepresenteerd mag worden. Vermogensbeheerders dienen beleggingsproducten in drie categorieën in te delen: lichtgroen, donkergroen of grijs.   

Van lichtgroene producten is sprake als bijvoorbeeld negatieve ESG-screening wordt toegepast. Een donkergroen product dient een duurzame beleggingsdoelstelling te hebben en draagt bij aan het behalen van een klimaatdoel of sociaal doel en gaat dus verder dan de lichtgroene categorie. Indien een product niet onder een van deze twee categorieën wordt ingedeeld en dus geen duurzaamheidsambities heeft, dan is het een grijs product. 

In productinformatie aan beleggers en op de website dient conform de wetgeving onderbouwd te worden of en waarom een product licht- of donkergroen is. Er is geen sprake van een verplichting tot het verduurzamen van beleggingsproducten maar vermogensbeheerders dienen te beoordelen of het product daadwerkelijk doet wat de informatie over het product belooft op duurzaamheidsgebied. Dit kan ertoe leiden dat voor bepaalde producten de verwachtingen bijgesteld dienen te worden afhankelijk van het ambitieniveau van de vermogensbeheerder.  

Bijkomend gevolg voor licht- en donkergroene producten is dat aanvullende verplichtingen van de Taxonomy Regulation gaan gelden, een van de andere nieuwe Europese wetgevingen die voortkomt uit het Sustainable Finance actieplan. Kleur bekennen zal ervoor zorgen dat de manier waarop het product in de markt is gezet in overeenstemming is met de realiteit. Dit zal het fenomeen ‘greenwashing’ aanzienlijk verminderen. Daarnaast zal de vergelijkbaarheid van producten door de standaardisatie toenemen. Ook de beleggers die in de producten beleggen zullen kleur moeten gaan bekennen, omdat duurzaamheidsvoorkeuren verplicht meegenomen moeten worden in de geschiktheidstoets. Deze verplichting is opgenomen in een voorstel tot aanpassing van Mifid. 

Duurzaamheidsrisico’s op waarde schatten 

Het integreren van duurzaamheidsrisico’s in het beleggingsbeslissingsproces is een van de nieuwe wettelijke eisen. Deze integratie is overigens geen baanbrekend concept om een gedegen beleggingsbeleid te voeren. Duurzaamheidsrisico’s kunnen van grote invloed zijn op de continuïteit van de bedrijfsvoering van een onderneming, en daarmee de waarde van de belegging in die onderneming.  

Alleen al met de kennis van nu spelen bijvoorbeeld klimaattransitierisico’s een grote rol in de toekomstbestendigheid van businessmodellen van ondernemingen die actief zijn in hoog uitstotende sectoren. Welke duurzaamheidsrisico’s meegenomen dienen te worden in de beleggingsbeslissing is afhankelijk van verschillende factoren, zoals de onderliggende belegging waar de beleggingsbeslissing betrekking op heeft en de beleggingshorizon van de belegger respectievelijk de beleggingspropositie zelf.  

Het ambitieniveau van de wetgever is niet te hoog geweest bij het verplichten tot de integratie van duurzaamheidsrisico’s. De afgelopen jaren is het bewustzijn vergroot over de blootstelling aan duurzaamheidsrisico’s en de gevolgen hiervan op mens, aarde en de reële economie. Het beoordelen van duurzaamheidsrisico’s is een geschikt middel om een zo adequaat mogelijke inschatting te doen van de waardeontwikkeling van beleggingen. 

Praktische bezwaren  

Andere onderdelen van de nieuwe wetgeving stuiten op meer bezwaren, zoals het inzichtelijk maken van de negatieve duurzaamheidsimpact van de gehele beleggingsportefeuille van vermogensbeheerders. De Europese toezichthouders hebben lagere wetgeving hierover uitgewerkt en hebben negatieve duurzaamheidsimpact verdeeld in minimaal 34 verplichte indicatoren die gemeten dienen te worden. Voorbeelden van deze indicatoren zijn het meten van de lozing van ongezuiverd afvalwater en de loonkloof tussen mannen en vrouwen bij de bedrijven waarin wordt belegd.  

Uitdagingen hierbij liggen op het vlak van de beschikbaarheid van data en gebruikte methodieken om tot metingen te komen voor bepaalde beleggingscategorieën, maar ook voor sommige indicatoren in het algemeen. Het is overigens nog maar de vraag of dergelijke informatie en de omvang ervan beleggers en vermogensbeheerders beter in staat stelt om duurzaamheidsoverwegingen mee te nemen in hun activiteiten.  

Het wekt de indruk dat idealisme de overhand heeft gekregen bij het opstellen van deze concept lagere wetgeving en dat door de grote hoeveelheid indicatoren de doeltreffendheid in gevaar komt. Daarnaast is de lagere wetgeving nog een concept en zal de implementatiedeadline voor de lagere wetgeving waarschijnlijk later zijn dan die van de Disclosure Regulation in maart 2021.  

De lagere wetgeving geeft een indicatie van de ambitierichting, maar het is nog afwachten wat de definitieve verplichtingen gaan worden, wanneer deze van kracht worden en hoe de tijdslijnen samenhangen met die van de Disclosure Regulation. 

De nieuwe duurzaamheidswetgeving tilt de transparantie over duurzaam beleggen naar een hoger niveau en vermogensbeheerders moeten realistisch zijn over de duurzaamheid van het productaanbod.  Om een transitie naar beleggen voor duurzame ontwikkeling te bewerkstelligen is overigens ook een rol weggelegd voor de belegger. Het is namelijk aan hen of met deze nieuwe informatie andere keuzes worden gemaakt ten aanzien van beleggingsproducten en vermogensbeheerders, met een reallocatie van financiering voor duurzame groei tot mogelijk gevolg. 

 

oktober 2020
Duurzame regels – realisme of idealisme?
oktober 2020
Vertrek beleggingsteams Nederlandse fondshuizen naar buitenland